|
Waarin het verhaal aanvang neemt, zonder dat je weet waar het zal eindigen.
Het begin baart je zorgen…
Jij bent wie je bent. Jezelf zijnde zit je in het park op een bank. Het is voorjaar en warm. Eigenlijk ben je een eenzaat. Je hebt een handvol vrienden, maar de meeste tijd vul je alleen. Niet dat je graag alleen bent. Het gaat nu eenmaal zo. Eigenlijk ben je gestoord. Je mijdt contacten, je verlangt hevig naar contact. Je misprijst en haat mensen, je voelt liefde. Je staart naar de grond, je wil de blauwe lucht wilt zien. Compleet gestoord. Eigenlijk is het je ambitie ooit een boek te schrijven. Het is een stille ambitie. Je hebt vaak gedachten. Je denkt dan als een schrijver, en dat doe je graag. Ook nu heb je weer van die gedachten, misschien wel het begin van een verhaal…
…het koket scoutsleidstertje ligt gekneveld op de achterbank van zijn volks. Ze rilt als een geslagen hond en snikt jammerlijk. Hij rijdt nog wat dieper het bos in. Het groen sluit zich achter hen. Hij stopt. Met glazige ogen kijkt hij uit het raam. Nerveus friemelt hij wat aan zijn stuur. 5 minuten is het stil, 10 minuten. Dan stoot het koket scoutsleidstertje wat gedempte klanken uit. Alsof dat een teken is, draait hij zijn hoofd naar haar en begint te spreken: ‘Ik ben een seriemoordenaar, ik ga je vertellen van mijn eerste moord,’ zegt hij met een stem die beeft. Ook zijn onderlip trilt een weinig. Toch spreekt hij met opmerkelijke vlotheid, alsof hij precies weet wat hij gaat zeggen en waneer hij het gaat zeggen. ‘Elke middag staat ze met vriendinnen buiten zelfbedieningszaak kwak en rookt er filtersigaretten met een air. Ik viseer haar, niet haar vriendinnen. Haar schoonheid is een platte, een snelle. Een schoonheid waar je geen moeite voor moet doen. Ik besef, dit schone kind wordt mijn eerste, ik moet haar doden. Dat besef zit al lang onder mijn huid, als knoppen van een plant. Ik herinner mij nog scherp de ogen van de veteraan, een beeld uit mijn jeugd dat mij steeds is bijgebleven, zijn geketende ziel… Mateloos gefascineerd keek ik de oudgediende aan. Rondom mij werd er geluisterd, geschreven ook. Ik zocht echter naar tekenen van een andere orde, de subtiele uitdrukkingen van de geketende ziel. Of wij nog vragen hadden?Hoe het voelde een mof te doden?De veteraan draaide en keerde en zocht naar woorden. Na een korte stilte sprak hij van de onmenselijkheid van oorlog, en van het kwaad. De afschuw in zijn stem was huichelachtig, de waarheid zag je in zijn ogen: hij had er van genoten de mof een kogel door het hoofd te jagen, hem het lijf open te rijten met een bajonet, het bloed te zien vloeien. Die keren dat hij leven nam heeft hij zich vooreerst in leven gevoeld, alsof hij voorheen een zielloze schim was geweest. (Als je doodt zonder spijt, pas dan kun je zeggen: ik ben ten volle mens, ik ben God.) Een dag staat ze daar, verweesd en verlaten een sigaretje te smoren – Belga light, ze houdt het pakje in haar hand. Ik weet: dit is mijn tijd van handelen…(Het is toch vreemd hoe een voornemen de zenuwen kan aanslaan, als Hendrix zijn snaren, zodat je maag oprispt en je moet kakken tezelfdertijd.)…en ik spreek haar aan, en zij luistert, en ik maak haar leugens wijs, en zij gelooft mij: dat haar vriendin in mijn straat tegen de borduurstenen geslagen is, dat ze in mijn huis op haar wacht... zij gelooft mij. Ik denk: ‘Amen!’ We stappen samen, haar pas tweemaal in die van mij. Ze biedt me een sigaretje aan. Ik weiger. Roken schaadt de gezondheid. Ik kijk in het vensterraam. Het vensterraam weerspiegelt een grijns… (Vraag het aan de vogels, vraag het aan de bomen: het is lente, wederom. Met haar leven in mijn handen, voel ik mij bijkans herboren… Ze zeggen dat je een vogeltje best vangt door zout op het staartje te strooien - of was het peper?- ik heb nooit goed begrepen of dat nu serieus is of maar om te lachen.) Zonder verweer laat ze zich mijn huisje binnenduwen. Het is er leeg en donker. Ik knip het licht aan. De kleur trekt uit haar gezicht, want ze herinnert zich plots wat haar is aangeleerd: ga niet met vreemde mannen mee, zij zullen je naar het lijf en naar het leven staan. En ik knik, haar onuitgesproken angst bevestigend: “Ik ga je verkrachten en ik ga je vermoorden, laat daar geen twijfel over bestaan…”
Je onderbreekt deze gang van je gedachten en vat meteen een andere aan. Deze nieuwe gedachtegang kronkelt en flitst. Onderwijl spreid je je benen en wapper je met je katoenen pijpen. Ted Bundy, denk je, vreemde man. Vreemd en boeiend. Niets is zo saai als iemand die niet vreemd is. Ik ben best een rare. Ik zou echter nooit iemand kunnen vermoorden, mijn geweten is te groot. Ik ben een groot bewonderaar van het geweten. De mensen een geweten schoppen, dat kan ik enkel toejuichen. Kwansuis scherp glijdt je blik over het terrein. Er ligt daar wat vuil in het gras, blikjes, papiertjes… Je geeft de vuillappen een denkbeeldige schop. Dan dwalen je gedachten verder…
…hij zwijgt een moment. Het koket scoutsleidstertje is kennelijk rustig geworden van zijn verhalen, hij hoort haar enkel regelmatig ademhalen. Met een sympathiek lachje op zijn gezicht draait hij zich naar haar toe en scheurt de tape van haar gebarsten lippen. Ze geeft geen kik…haar ademhaling wordt bijna regelmatig. Zichtbaar tevreden vertelt hij verder. De bibber is uit zijn stem. ‘Ik dwaal af, ik hoor je denken: jij hebt geen oog voor grote lijnen, jij verliest je steeds weer in details en mijmeringen die tussen haakjes horen. Ja jij, koket scoutsleidstertje, jij wil nu onmiddellijk horen van mijn eerste moord, jij wilt weten hoe ik die kleine meid eerst sodemieterde – dat strakke aarsgaatje van haar, hoe het scheurde, hoe het bloedde – en haar vervolgens de schedel insloeg met een moker – bloedrode gortenbrij, de stuipen van de dood…- geef toe, het fascineert je, het schrikt je ook af. Ze gilt, mijn eerste slachtoffer. Ik geef haar een klap in het gezicht. Ze gilt nog luider. Ik heb nog nooit met mijn vuisten geklopt. Het bevalt mij. Mijn knokkels gloeien. Zij zwijgt voor dood. Haar gezicht, het lijkt levenloos nu de angst is afgedropen. (Een droppel bloed, ’t is toch verbazend hoe rood dat dat is, en hoe vergankelijk! Ik zie de rode droppel, ik zie hoe hij zijn schone kleur verliest. Roestbruin is hij nu.) Ik til haar tengere lijfje op. Ze kreunt, nauwelijks hoorbaar. Ik wieg haar, koester haar. De lust, de zoete dood, haar bleke, warme vel. Hoe haar donshaartjes ruw geborsteld worden, mijn stugge mannenhaar; haar gezicht, zilt van tranen, en haar geslacht, zilt van doodsangst; panisch genot, hoe ze haast extatisch kronkel. Ik vul haar, zij scheurt. Nog eenmaal spert ze de ogen. De blik van een dier in de muil van een roofdier: instinctief berustend, wachtend op de laatste doffe klap. Ze was zo schoon, mijn eerste dode. Bij haar vergelijk ik al wie volgt, en al verbleekt bij haar morbide schoonheid. Nu vraag je je misschien af wat ik met het lichaam deed. Deze spitsvondigheid wil ik je zeker niet onthouden! Ik ging als volgt te werk: ik leg het bloedeloze lijfje in de zinken badkuip op het koertje achter mijn huis. Het koertje is omgeven door blinde muren, geen venster waardoor men mij bespieden kan. De kalk, die ik met emmers water blus… een kleine inferno, mijn inferno!
Het is warm voor de tijd van het jaar, zelfs nu het al bijna schemeren gaat heb je nog geen jas van doen. De harde houten bank is je onaangenaam. Je staat recht en wandelt naar huis. Als je dan nog aan de afwas van de vorige dag moet beginnen alvorens je potje te kunnen koken, wordt het snel laat. De ervaring leerde dat de late uren zich beter laten lijden wanneer je je geest benevelt, dus dat doe je maar. Met benevelde geest zap je tussen de 2 posten die je met je antennetje kunt ontvangen. Je ziet, daar is geen zier op, zodat je al snel naar je gitaar grijpt. Je speelt je treurig lied, over en over. Het geeft je de waardigheid terug die de dag je heeft ontstolen. Elke dag steelt iets van je, elke avond geeft je iets terug. Zo houd je evenwicht, voorlopig red je het wel. Maar je weet, er komt een tijd - en die komt er snel, hij zit je op de hielen - dat de dagen nog roofzuchtiger worden, de avonden korter en de nachten geteld. Hoe de dag jou je waardigheid ontneemt… Al ronddwalend, de straten, het park, al in gedachten verzonken – gedachten waarmee je je tijd verspilt, gedachten die niemand iets opleveren – ben je in twijfel. Of je toch niet beter zou veranderen; of je wel kunt veranderen. Dan denk je: ik doe het niet goed, dit leven. Je voelt ook dat je het niet goed kunt doen, omdat je bent wie je bent.
|