Djogle worldwide on keyword, name, street and/or city

Kunst

   Het Rijk Van 1, Uit De Wereld (2) [16/09 03:51PM]   

Waarin de seriemoordenaar vertelt van een tweede moord

De candidanda komt. Aan iets anders kun je die dag niet denken. Je kent haar via internet. Het internet ondersteunt je sociale handicap. Dit is je tweede ontmoeting. Je bent tenslotte single, al een eeuwigheid. De candidanda komt, wat ga je in hemelsnaam met haar doen? Als ze binnen komt, dan bied je haar meteen een glaasje water aan. Ze zet zich. Jij zet je. Je drinkt een slokje en zoekt de juiste woorden. Er vallen stiltes waarvoor jij je schaamt - een gevoel van falen. En dan denk je: ging ze al maar weg. Je hebt er geen idee van hoe laat ze komt. In de namiddag heeft ze gezegd… Om 5 na half 1 zet je gewoontegetrouw de tv aan en bekijkt een spelprogramma. Onderwijl eet je boterhammetjes. 2 Met kaas, kipfilet en een streepje mosterd. 1 Met verse aardbeienconfituur. 1 Met choco. Zo doe je het altijd. Als het brood na twee dagen wat droogjes is, dan toast je het en eet je er ook wat mayonaise en ketchup bij.
Je loopt eventjes bij de werkwinkel aan, je bent tenslotte werkloos, al een eeuwigheid. Je denkt: de candidanda zal wel bellen, moest ze voor een gesloten deur staan. Je hebt een gsm. Zij ook. ‘Onze tijd,’ mompel je. Buiten de muren van je huis trek je er kunstmatige op. De rode bakstenenmuren glijden wazig voorbij de grens van je gezichtsveld. Goed gekleed, gezond en rechtop sleep je jezelf verder. Je geest is onwillig. Een oud vrouwtje, een hond. Je beziet de hond, je beziet het vrouwtje, en je knikt. Altijd wil je vriendelijk zijn. Het vrouwtje negeert jou straal. De hond kwispelt. De dieren mag je graag. De rode stenen. Links de tramsporen. Je weet je geen raad met de tijd, jouw tijd – wanneer die komen gaat? Je weet je geen raad met jezelf. Het is niet altijd prettig mens zijn, jou zijn. En de vragen: wie? waarom? wanneer? Het verwart je, maakt je radeloos en overstuur… Wat nu met het koket scoutsleidstertje op de achterbank van de volks? vraag je je af. Je moet verder met het verhaal, een tweede moord misschien. Almeteen - je hoofd loopt er zo vol van - vloeien gedachten uit over de straatstenen…

De seriemoordenaar vertelt verder: ‘Na die eerste moord verlang ik al snel naar een tweede. In het station vlakbij verschijnen affiches van “child focus”. De foto doet haar onrecht aan, de dood stond haar zo veel beter. Ik zie haar ook op televisie, opsporing verzocht: het meisje werd laatst gezien aan de schoolpoort… op het moment van haar verdwijning droeg ze zwarte schoenen met plateauzolen, een beige broek met brede pijpen, en een rood T-shirt met het opschrift “Tralala”… getuigen worden verzocht zo snel mogelijk contact op te nemen met de politie.
Terwijl ik de bouw van verse kalk voorzie – in 2 grote zakken draag ik het aan – breekt er weer een oorlog uit. De mensheid is in beroering, maar over wat er zich onder haar neus afspeelt vloeit de stroom van de vergetelheid. Daar wentel ik me in, de vergetelheid. 4 Uur in de ochtend. Wat nog overblijft is gewillige prooi – een combinatie van wanhoop en alcohol. Ze danst slapjes en uit ritme. Bij elke pas moet ze haar voet met zichtbare moeite losrukken van de kleverige ondergrond. Op dit uur zijn de jagers onkundig en verstrooid. Ze wachten op de rolomkering die nooit zal plaatsvinden. Ze drinken bier en roken sigaretten. Om hun zwakheid te verhullen, om te doen alsof ze er staan hier in dit leven - dit leven dat ongrijpbaar en onbevattelijk is, dit leven dat een mens dwingt een pose aan te nemen opdat hij niet piepend als een muis in elkaar zou stuiken. In deze verpeste atmosfeer hul ik mij als een wolf in schaapskleren. “Murder on the dansfloor”. De ironie wederom trouw aan mijn zijde, strijk ik een verlepte haarlok achter haar oor.
“Je bent mooi,” fluister ik, “waarom dans je alleen?”
Ik zie: ik moet geen moeite doen, ze heeft zich lang gegeven: “Schaak mij!” schreeuwen haar rooddoorlopen ogen, “Schaak mij!”, schreeuwt haar lijf dat rijp tegen het mijne schurkt. (Soms wordt het verleden in geuren en kleuren wakker geschud, alsof het niet voorgoed verloren is. Soms heb ik het gevoel dat ik leef in het verleden en dat het heden slechts een schijnvrucht is, zoals de aardbei. Een zonnige dag, de geur na regenval, het kraken van de sneeuw onder mijn zolen… dat alles roept herinneringen wakker, en uit die herinneringen haalt het heden betekenis, haalt het bestaansrecht. Je weet dat een ster aan het firmament het verleden is dat fonkelt, het licht heeft er een reis van miljoenen jaren opzitten. Zijn wij mensen zoals sterren? Weerspiegelen wij enkel een verleden? Zijn wij met andere woorden slechts schaduwen van onszelf? Ik wou dat ik terug kind was, met mijn leitje leeg en onbeschreven: dat is pas leven!) De rijp heeft zich aan mijn voorruit gehecht, even hardnekkig als haar hand in de mijne kleeft. Ze is mooi, maar niet aantrekkelijk. Ze ruikt kwalijk, haar huid is klam. Ik rijd met haar naar huis.
Zij lalt: “Nie-iemand hou-dt va-an me-e-ij…” en barst in snikken uit.
“Stil nu maar,” sus ik haar, “ik zal wel voor je zorgen.”
Ze vleit zich dicht tegen me aan. De straatlampen, de wegmarkeringen, dat alles glijdt voorbij. Ze valt in sluimer, valt in slaap, slaapt in…’

Het koket scoutsleidstertje lacht luid en scherp. Hij schrikt. Een moment vreest hij dat zijn oren zullen scheuren. Als hij zich draait ziet hij dat ze zich heeft rechtgezet en hem brutaal aankijkt, een spotlachje om de gebarsten lippen.
‘Een kind kan horen dat je dat allemaal verzonnen hebt! Jij bent een labbekak, een schlemiel!’ zegt ze.
Ze spuwt hem die woorden in het gezicht. Ze striemen hem, brengen hem uit evenwicht. In zijn vlezen kooi vecht hij angstig als een leeuw, hij vreest de slagen van de zweep. Wanhopig en razend snauwt hij het koket scoutsleidstertje toe dat als ze nog 1 woord durft spreken hij haar meteen zal doodslaan…


Je vindt 1 vacature die je na enige aarzeling afdrukt: het betreft een job als maatschappelijk assistent bij het OCMW. Niet dat een job in de sociale sector je zo aanspreekt, maar je bent nu eenmaal maatschappelijk assistent – tja, toen zat je er ook al met je hoofd niet bij. Je solliciteert, in de hoop dat ze je zullen weigeren, zodat jij met je weigeringbrief aan ieder die het weten wil kan zeggen: ‘Ik heb echt wel geprobeerd, mij valt heus niets te verwijten.’ Terug thuis. De zenuwen tempeesten door je lijf. Je hebt nog maar net je schoenen ingeruild voor sloffen of je hoort hoe de candidanda haar fiets tegen de gevel parkeert. Glimlachend – enfin, dat is toch de bedoeling van die verwrongen trek op je gezicht - open je de deur en kijk je hoe ze het slot door haar achterwiel steekt. Onwillekeurig bezie je haar kont. Ze heeft een platte kont, verleden week leek die nog rond. Vreemd is dat, denk je.
Eenmaal binnen vraag je of ze iets wil drinken.
Ze glimlacht en zegt: ‘Water is goed.’
Ze zet zich; jij zet je. Mogelijks houd je wel van dit voorspelbare gedrag. Toch heeft dit moment iets gruwelijk routineus. Je schaamt je, zoals je verwacht had je te zullen schamen, en je zoekt verwoed naar originele woorden, om het volgende moment in te blazen. Voor je het goed en wel beseft raken jouw lippen de hare. Je begrijpt er niets van. Heb je er in je onbeholpenheid niet alles aan gedaan om de kans op een romance tot nul te herleiden? Was het niet je bedoeling alle kansen voorbij te laten gaan, omdat je te veel hecht aan de eenzaamheid en de zelfkwelling? Ze heeft de zachtste lippen die je ooit gekust hebt, zacht en warm. Het is enkel vlees dat je voelt, meer niet.
‘Vrijdagmiddag spring ik nog eens binnen,’ zegt ze nog, voor ze de deur achter zich dichttrekt.
Je bent blij dat ze eindelijk vertrekt en je alleen laat met jezelf.



   Trackbacks

TRACKBACK URL: http://www.djogleportal.com/trackback/2043

   Commentaren
A service of djogleportal.com, powered by Blog System